The Secret Life of Art

Bijdragen van buurtbewoners

Jeannette van Duin

Frederiksstraat 132

Amsterdam 1054 LD

maker: onbekend – beeldje

woonkamer

Een dag zonder haast                      14-12'98 en 1-11’15
Lulletje Lampenpit is inmiddels al in de veertig. Nog stee­ds woont hij niet op zichzelf. Sjors woont bij mij en mijn vrouw in huis. Nekita is zijn enige zuster. Sjors is zacht­aar­dig en tegemoetkomend, heel anders als Nekita. We merken nauwe­lijks of hij er wel of niet is. Nekita vraagt weleens voor het eten: "Flip, heb jij Sjors al ge­zien ?" Meestal heb ik hem dan in een schim wel naar boven zien gaan. En ach, we weten hij loopt geen zeven sloten tegelijk. Over het algemeen hebben we weinig last van hem. Hij past zich heel makkelijk aan.
Inmiddels al tien jaar gele­den kwam hij 'tij­delijk' bij ons wonen. De aanleiding was het vliegtuigongeluk waarbij beide ou­ders om het leven kwamen. Hij had toen overdag een kantoor­baan­tje. In de avonduren deed hij een cursus boekhouden aan het L.O.I..­ Soms verdiende hij wat bij door voor een paar klantjes de admini­stratie te doen. Nee, hij kon toen absoluut niet de reste­rende hypo­theek van het ouder­lijk huis op­brengen. En trou­wens hoe moet hij met zijn twee linkerhanden nu opeens bood­schap­pen doen, eten koken en het huis schoonma­ken ? Daarbij is hij een warhoofd. Hij kan op de meest ongelegen momenten van alles vergeten. En daarbij, wat zou hij zonder de aan­spraak  moeten die er altijd van­zelf was. Sjors zou nooit zomaar een praatje met ie­mand be­gin­nen. Van de keren dat wij daar kwamen staat mij bij dat hij altijd ver­scholen achter een kran­tje in een hoekje van de huis­kamer zat. Al met al leek het ons de beste oplossing om het ouderlijk huis verkopen en Sjors 'voor­lopig' bij ons onder­dak te nemen.
Op een dag stonden wij versteld. Hij is altijd van zijn werk om half zes thuis, hooguit soms zo'n vijf minuten later. Nooit bleef hij weg. Maar de volgende ochtend, bleek zelfs zijn bed onbe­sla­pen. Wat zaten Nekita en ik toen in de rats !

Lulletje Lampenpit (L.L.) wil die morgen zoals gewoonlijk van huis gaan. Terwijl hij al 5 minuten verlaat zijn fiets pakt, vergeet hij de sleutels van zijn werk. Hij moet dus weer terug naar zijn zolderkamer. Hij vliegt het huis weer in, pakt de sleutels van zijn kast en is met een paar spron­gen beneden. Half struike­lend valt hij met deur en al naar buiten. Door zijn been op te zwie­pen be­landt hij op zijn zadel. Het zweet loopt met straaltjes over zijn rug, terwijl zijn trappers in het rond vliegen. Ondanks zijn hoge snelheid weet hij net de auto die naar rech­ts gaat te ontwijken. Een voet­ganger op het zebra­pad doet ver­schrikt een pas naar achter als hij nog net voor­langs sch­iet. In de bocht voelt hij zijn gladde fietsbandjes onder hem van­daan glij­den. Ternau­wernood weet hij een duik in de hoop natte bla­deren te voorkomen. En dan staat de brug open .....
Sjors wil dit niet. Hij wil helemaal niet rennen en vlie­gen. Hij wil niet weer zo'n dag van alleen maar achter zichzelf aanlopen. Steeds van alles vergeten en dan weer terug moeten. Zoals hij feite­lijk nu ook wel weer terug naar huis kan gaan, omdat hij ook nog zijn brood is verge­ten. Ja, dit zijn van die dagen dat je maar het beste thuis kan blijven zitten op de bank.  Maar ja, wat moet hij thuis doen ? Nee, hij wil een 'niet-dag' houden. De dingen gewoon allemaal niet doen. En als hij het niet-niet wil doen, dan mag hij het ook wel doen.
Hij gaat nu in elk geval niet verder meer haasten om op tijd op kan­toor te zijn. Wat doet hij daar nou eigenlijk ? De­zelfde ver­ha­len van colle­ga's en klanten aanhoren en de ber­gen papier die anderen op zijn bureau droppen wegwerken. Nee, in deze bui zou hij het liefst in een armbe­weging al het papier op de grond willen gooien. Vervolgens zijn walkman opzetten en naar zijn favo­riete muziek luisteren. Zijn stoel omdraaien en dan eens gaan genieten van het mooie uit­zicht over de stad vanuit zijn werkkamer. Maar zelfs dat is hem nu te­veel. Hij wil niets.
De brug is allang gesloten. Al starend in het water kabbelt zijn gedachtestroom verder. Hij schuifelt de brug op. Hij probeert in het troebele grac­htenwa­ter zichzelf in de weerspie­geling te her­kennen. Eigenlijk heerlijk om zo op een brug te staan en een beetje weg te dromen. Water, dat niet doet maar er gewoon is. Met of zonder een bootje wat een beetje dob­bert aan de kant. Dat alles lijkt hem een stuk beter.
Hij staat daar maar vijf minuten maar het lijkt voor hem wel een eeuwigheid. Sinds jaren beleeft hij weer dat de tijd lijkt stil te staan.
Sjors maakt rechtsomkeer. Hij wil de brug niet over. Hij wil doen waar hij zin in heeft. Hij wil niets te maken hebben met zorgen of verantwoordelijkheden van anderen. Het is dan alsof hij een soort teef is waarbij geen puppy’s aan het drinken zijn maar kleine biggetjes. Eigenlijk zou hij zich af moeten vragen of het wel tot zijn takenpakket be­hoort maar dat doet hij nie­t.  Hij staat immers graag klaar voor anderen. En als het enig­szins in zijn vermogen ligt dan doet hij dat gewoon. Maar nu wil hij zijn als het water. Dus gaat hij niet naar zijn werk, waar hij al met al amper tijd heeft om naar toilet te gaan. Hij wil vele land­schap­pen aan hem voorbij zien trekken en met men­sen over dingen praten die hem echt interes­seren.
L.L. is moe en verslapt door het vele werk. Hij wil zich weer stevig voelen. Hij gaat naar een fitnesscentrum om op krachten te komen. Hij is toch al moe, dus maakt het hem nu niets meer uit of hij er wel/niet moe van wordt. Meestal krijgt hij er een kick van als hij zijn eigen kracht weer voelt. Het kost na­tuur­lijk wel energie. Maar ja, daar krijgt hij juist een goede conditie van. Datgene wat hij dan nog in huis moet doen, doet hij dan weer makkelijker. Zijn zus­ter zal wel weer pissig zijn als hij terug­komt. Ze is bang dat hij dan zo laat thuiskomt, dat ze het zelf moet doen. Wat ze overigens nooit doet, zijn klusjes laat ze mooi voor hem liggen. Ze vindt dat hij ook maar wat moet doen voor de kost. Vreemd eigenlijk, want hij betaalt toch al kostgeld. Hier wordt hij nu altijd zo moe van. Dan doet hij het maar gewoon. Hij komt nooit zo goed uit dit dilemma. Het maakt hem dan allemaal niets meer uit. En het maakt naar haar toe ook niets uit. Ze vindt hem toch een 'Slapja­nus'. Dus maakt het niets uit wat hij wel of niet doet. Vandaag doet hij het niet. Hij gaat gewoon doen waar hij zelf zin in heeft.
Na de fitness wil hij de sauna in. Hij wil alles vergeten. Zijn lichaam wil hij laten huilen zodat het zich reinigt. Op een behagelijke manier stroomt de pijn weg uit zijn hele li­chaam. Als hij amper de deur door is komt hij Gerda tegen, een oude bekende van de opleiding. Zij zegt dat het beter is om in de sauna je hor­loge af te doen. Het lijkt hem een goed idee. Na al dat ge­haast van vanochtend wil hij ook niets meer met tijd te maken hebben. Hij doet altijd alles braaf, maar nu is het ook omdat hij het zelf wil.
Sjors veegt het zweet weg van zijn huid. Direct pare­len er uit zijn porië­n nieuwe druppels. Hij herhaalt het ettelijke malen. Het gaat maar door. Het zweet proeft zo zout als tranen. De druppels stromen gezamenlijk weg om vervolgens te plet­ter te vallen op en om de houten vlonder. Zo vloeien opgehoopte span­ningen uit zijn lichaam. Hij stelt zich voor hoe het zou zijn als zoute drop. Beter in elk geval als een zuur­pruim !
Nadat zijn ouders waren overle­den was hij ver­drie­tig. Toen probeerde hij voor het eerst zijn tranen in de sauna kwijt te raken. Maar het hield niet op na de sauna. Op elk rustig moment waar­bij een ieder zich ontspant begon zijn hart te hui­len. Dat werden ogen­blikken vol veelbetekenende herinne­ringen. Het pijn­lijke gemis maakte hem lamlendig. Hij besefte, er was geen weg terug. Hij liet alles gewoon gaan en liet het wat het was. De tijd was zijn grootste kameraad. Die zorgde wel dat het zou slijten. Hijzelf wilde zijn eigen leven opbouwen en tot bloei brengen als nog nooit tevoren. Dat gaf hem kracht om het ver­lies beter te kun­nen verdra­gen. Het leek goed te gaan maar feitelijk wist hij zich geen raad.Had hij het toen uit moeten schreeuwen van woede, luidkeels janken totdat hij alleen nog maar zou kunnen snikken en doodmoe in slaap zou vallen ? Hij weet het niet.
Hij denkt erover om zich na de sauna te laten masseren. Maar hij kan er niet meer tegen dat er iemand aan hem zit. Niemand mag hem raken. Hij voelt zich al beurs en blauw van de opgelo­pen klappen. En zeker nu niet mogen ze hem kne­den of op de een of andere manier naar zijn hand zetten. Vandaag wil hij het niet, klaar uit. Het waarom gaat niemand iets aan. Vandaag laat hij niets met hem gebeuren wat hij niet wil.
Als hij Gerda weer ziet geeft ze hem een compliment over hoe hij het vandaag aanpakt. Hij is er zelf tot dusver ook tevreden over. Hij doet alsof het hem makkelijk afgaat, maar dat is absoluut niet zo. Het is eerder dat hij niet anders kan. Wel­licht was dat onmogelijke vlieg en stuntwerk de afgelopen dagen op zijn werk wel een soort laatste druppel ? Automatisch ver­mant hij zich. Zo doet hij altijd, maar het past niet bij hem op dit moment. Hij wil het ook niet. Alsof dit haar op een dwaalspoor brengen al niet genoeg is gaat hij tot over­maat van ramp het hebben over zijn vriendinnen. Hij schept op hoe flink en vrese­lijk veel zij kunnen. Zijn krachtig besluit van vanoch­tend valt daarbij in het niet. Het is alsof hij lang­zaam met zijn voet­stuk en al in de grond wegzakt. Ze kust hem ter af­sche­id, want dit was haar laatste ronde.
Het koude bad is verkwikkend. Sjors zwemt een paar baantjes. In de relax-ruimte leest hij in een damesblad zijn horo­scoop van drie weken terug. Heer­lijk is het om te mijmeren over wat er allemaal wel of niet van klopt van wat hij toen die week mee­maakte.
Na het uitgebreide bezoek aan de sauna besluit Sjors een stukje te gaan fietsen. Er is een nieu­we weg ten zuiden van Amsterdam gekomen. De zon licht het zwarte asfalt op tot een slingerend zilvergrijs pad door het landschap. Het witte zand versiert het als twee goud­kleurige banden.
Dit fietspad is er spe­ci­aal voor wiel­ren­ners. De fikse heuvel in het par­cours maakt dat ze er prima kunnen trai­nen. De zon tegemoet gaan is heer­lijk. Wind mee of wind tegen maakt eigen­lijk niet uit. Maar het windje in de rug is wel meegeno­men.
Als hij een ineengedoken man inhaalt begint hij betweterig te praten. Hij wil alles wat hij weet van het nieu­we fietspad vertellen: "Deze weg is speci­aal gemaakt voor wielrenners uit Amsterdam, zodat ook zij goed kunnen trai­nen". Hij ver­volgt direct verle­gen: "Nou, mij niet gezien onder de rook van Am­ster­dam/Schiphol." "Maar natuurlijk wel mijn petje af voor degene die wel jaren­lang trainen in weer en wind er zoveel voorover hebben, maar ik niet." Hij pakt de draad van zijn betweterige verhaal weer op met: "Al met al is het een rond­je van 40 km, dat loopt langs Den Helder." Hij beseft di­rect dat het meer is, maar hij laat het zo.
Voor donker gaat Sjors een café in om wat te drinken. Hij is niet ver van huis. Daar raakt hij aan de praat met Ed waar hij het heel gezellig mee heeft. Die is een beetje zielig. Ze drin­ken en eten samen wat. Ze praten, la­chen en worden samen vro­lijk. Tegen middernacht wil hij niet meer naar huis. Hij is bang voor Nekita. Hij ziet zich zo al aankomen. Zijn zus­ter zou direct zijn lol be­derven. Nee, dat kan niet. Hij is te laat. Zij kent hem alleen als braverik. Zij zal schrikken en boos worden op hem. Hij vraagt of hij bij Ed mag blijven sla­pen. Die vindt het best. Ze gaan bij hem thuis door tot in de kleine uurtjes. In geen tij­den heeft Sjors het zo naar zijn zin gehad. Na een binnenpretje over Nekita valt hij tevreden op Ed zijn bank in slaap.
De volgende ochtend koopt Sjors met zijn ogen nog half dicht bij een stalletje een bloe­metje voor Nekita. Als hij thuis komt staat Flip in de keuken ei­tjes te bakken. Door zijn hoofd gaat­meteen: "Zou Flip denken dat hij het van eieren maakt ? Hij wacht met hem te begroeten tot hij klaar is.

Flip herkent het geluid van Sjors zijn tred en de manier waar­op hij de sleutel in het slot steekt. Hij snelt vanuit de keu­ken de kamer in. Warem­pel, ach­ter de drem­pel van de voor­deur staat Sjors. Hij houdt het nu al ver­lepte bosje rode anjers in zijn rech­terhand. Hij legt ze in het schamele bruine pakpapiertje voor Nekita haar neus op tafel. Zij leest verder in de ochtend­krant.
Hij is blij Sjors weer te zien. Hij begroet hem met een blik van verstandhouding. Hij begrijpt dat Sjors zich even weinig van zijn vrouw aantrekt en dat zal ook steeds minder wor­den. Eigenlijk ver­baast het hem dat hij het nooit eer­der heeft ge­daan. Hij weet dat dit vaker zal gaan gebeuren. Sjors zal van­uit dit soort uit­stapjes zich­zelf ver­der ont­wikke­len. Hij pakt de bloe­men voor de neus van Nekita weg van de tafel. Hij doet ze zo snel moge­lijk in een vaas om ze wat te doen op­bloeien. 

's Avonds als Nekita thuis komt van haar werk is ze spraakza­mer. Snau­werig vraagt ze L.L.: "Waar was je ?" Het klinkt geï­rri­teerd. Hij weet dat hij als een zware last op hun schou­ders drukt. Maar hij had het naar zijn zin en dat telt. Het is geen vraag die iets heeft van belangstelling, warmte of be­trok­ken­heid. Het is eerder een beschuldiging. "Nu, hebben we ons nog zorgen om je moeten maken ook !" Goed, dat hij hun teveel is dat weet hij. Ze begint over wat zij allemaal in huis doet en wat er allemaal nog gedaan moet worden. Ze doet alsof hij niets doet, terwijl hij teveel doet om op te noemen. De moed zakt hem ver­der in de schoe­nen. Ach, ze blijkt dit stee­ds maar zo te moeten zeggen. Hij laat haar praten. Hij zwijgt. Zij moppert door. Hij weet het zeker hij is weer te­rug bij af. Maar zijn hel­den­daad van gister kan zijn zus­ter hem van­daag niet meer afpak­ken. En ooit zal hij met Flip over dit dagje napra­ten.